RSS feed

2. In hoeverre werk ik zelf associatief?

In dit onderzoek wil ik een lessenserie schrijven om leerlingen te stimuleren om associatief te werken. Maar in hoeverre werk ik zelf associatief?  In mijn eigen beeldend werk heb ik ook vaak heel letterlijk gewerkt, aan het werk kon je duidelijk zien waar het werk over ging. Dit onderzoek heeft mij aan het denken gezet over mijn eigen proces en hierdoor kom ik zelf ook meer los van de letterlijkheid in mijn werken. Hoe komt dit? Zou ik dat in mijn lessenserie kunnen gebruiken?

Jaar drie van de academie

In het derde jaar van de academie werkte ik met materialen uit de natuur en kunstplanten en –bloemen. Ik gaf deze natuurlijke materialen een vergankelijke uitstraling door er gips overheen te gieten waardoor de bloemvormen gingen hangen en ik spoot mijn werken donker om nog duidelijker een vergankelijke sfeer op te roepen. Mijn beelden leken op objecten uit een gebied waar een natuurramp had plaats gevonden en dat was ook waar mijn werk over ging, over de vergankelijkheid van de natuur. Het werk maakte direct de inhoud van mijn werk zichtbaar en daarom zijn die werken voor mij heel letterlijk. Hierdoor was er misschien ook niet meer zo veel voor de kijker te ontdekken. Dit hoeft natuurlijk niet noodzakelijk te zijn maar als kunstenaar wil je wel graag dat de kijker blijft hangen bij jouw werk.

 

 Jaar vier – eerste helft

In de eerste helft van het vierde jaar ben ik met een nieuw materiaal gaan werken: kleding. De kleding die ik in mijn sculpturen gebruikte was gedragen door mensen met wie ik een persoonlijke relatie heb. Mijn sculpturen behielden dezelfde organische vormen als in het derde jaar en aanvankelijk ging mijn werk ook nog over hetzelfde thema van groeien en vergaan. Met kleding als materiaal wilde ik iets vertellen over groeien en vergaan in het leven. Het leek er dus op dat ik langzaam van de letterlijkheid afstapte, maar in de plaats daarvan ging ik toch verder met mijn letterlijke manier van werken. Ik gebruikte in mijn werk kleding van mensen die belangrijk voor mij zijn en daarom moest het werk naar mijn idee ook over mijn relatie met hun gaan. Zo heb ik een boomachtig werk op een muur gemaakt van kleding van mijn vriendin Kim en van mij om onze vriendschap weer te geven, een vriendschap die alsmaar sterker wordt. Ook deze werken waren weer vrij letterlijk: ik maakte een boom die groeit om een vriendschap die groeit uit te beelden. Het was bij deze werken wel moeilijker te zien wat ik met de werken bedoelde. Ik maakte vooral in het begin veel bloemachtige vormen van de kleding waardoor je ook niet meer goed zag dat het om kleding ging, op deze manier had de toeschouwer geen enkele houvast en dan is het ook moeilijk om de werken ergens mee te refereren en worden het al snel esthetische objecten. Ik heb nog wel geprobeerd om mijn inhoud te verduidelijken door middel van titels maar uiteindelijk werkte het voor mij niet meer om met alleen maar kleding te werken.

Jaar vier – tweede helft

In de tweede helft van het vierde jaar ben ik mijn werk van het derde jaar met mijn werk van het vierde jaar gaan combineren. Het thema vergankelijkheid en tijd heeft mij altijd al geïnspireerd en door organische vormen ben ik altijd al gefascineerd. Ik besloot om gips over mijn kleding heen te druipen en te smeren om te kijken hoe ik met kleding en een ander materiaal sculpturen kon creëren die niet langer in één oogopslag laten zien waar het werk over gaat.

De vormen en kleuren van deze sculpturen gaf ik een vergankelijke uitstraling. De organische vormen van deze sculpturen lijken te groeien op sommige plaatsen maar ook uit elkaar te vallen door vormen die naar beneden hangen en die lijken te breken. Ik probeer met verschillende kleuren mijn beelden een vergankelijke uitstraling te geven: oker, sienna, groen, blauw, grijs en zwart. De beelden lijken te roesten of al een paar jaar onder water in zee te liggen. Als je dichter bij de beelden komt zie je herkenbare dingen. Je ziet stukjes van een kledingstuk, een rits, een knoop, een ketting, een schoen, een BH. Ik ben op dit moment nog aan het zoeken hoe herkenbaar ik de kledingstukken wil maken. Ik vind het belangrijk dat je nog wel iets van de kleding herkent zoals een label of een bandje maar ik wil niet alle kleding letterlijk in beeld brengen. Ik wil dat er ruimte over blijft voor associaties, voor verbindingen die de toeschouwer zelf mag maken.

Kleding refereert voor mij naar de mens en haar bestaan. Kleding draagt voor mij een vergankelijkheid met zich mee omdat de het is gedragen door mensen. Soms ruiken kledingstukken ook nog naar de mensen die het hebben gedragen. In kledingstukken zitten herinneringen voor mij. Zo weet ik zelf nog wel kledingstuk ik op welk feest of een andere gebeurtenis aan had. Zo heeft ieder kledingstuk een eigen verhaal. Deze verhalen of gebeurtenissen zijn nu voorbij, we hebben het achter ons gelaten. In het leven laten we voortdurend dingen achter ons. Het voorbij gaan van de tijd fascineert mij. Aan tijdelijkheid kun je niet ontsnappen. In de tijd waarin wij nu leven gebeurt van alles door en naast elkaar. Oude gebeurtenissen maken plaats voor nieuwe. Het achter laten van deze gebeurtenissen probeer ik tot uitdrukking te brengen in mijn werk. Mijn beelden zijn een soort stillevens vol met oude gebeurtenissen en herinneringen. Deze gebeurtenissen of herinneringen breng ik niet letterlijk in beeld maar ik wil associaties met het vergaan van de tijd oproepen door sculpturen te maken die deze vergankelijkheid uitbeelden. Ik vind dat het moeilijk blijft om te bepalen in hoeverre een beeld iets over de inhoud van het werk moet zeggen. Voor mij staan mijn beelden voor het gebeurtenissen die we achter ons hebben gelaten, voor het voorbij gaan van de tijd maar een ander kan er misschien een andere associatie bij hebben. Ik denk dat ik met deze beelden de toeschouwer wel meer aan het denken zet dan bij mijn eerdere werk waarbij gemakkelijker te zien was waar het werk over ging.

Loskomen van letterlijkheid

Ik denk dat ik zelf los ben gekomen van mijn letterlijkheid door eerst letterlijke werken te maken en in te zien dat deze werken zo letterlijk waren. Door fouten te maken leer je. Ik wil niet zeggen dat mijn werkwijze van een jaar geleden verkeerd was maar ik denk dat mijn werk nu interessanter is. Ik merk het ook aan de mensen die mijn werk bekijken, ze blijven langer bij mijn werk staan en zijn benieuwd wat er onder het gips zit en vinden het interessant als ze dingen herkennen. Ik ben niet zo maar van de ene op de andere dag losgekomen van mijn letterlijkheid maar dit gebeurde geleidelijk doordat ik al een lange tijd een proces doorloop en stappen heb gemaakt. Ik vind het daarom belangrijk dat leerlingen ook een proces doorlopen bij de beeldende vakken en de tijd krijgen om zich te ontwikkelen. Begeleiding en reflectie zijn naar mijn idee ook belangrijk bij het doorlopen van een proces en het maken van keuzes. Door de feedback van mijn begeleiders en doordat ik zelf goed ging reflecteren op mijn werk  begon ik in te zien dat het voor mij niet meer werkte om met alleen maar kleding te werken. Ik ben mijn materialen gaan vervormen, verhullen en verkleuren zodat er meerdere associaties bij mijn werk mogelijk zijn.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: