RSS Feed

7. Conclusie

In deze conclusie wil ik terugkomen op mijn onderzoeksvraag: Hoe kun je leerlingen van 4 havo en 4 vwo bij beeldende vorming stimuleren om associatief en procesmatig te werken?

Tijdens mijn stage merkte ik dat leerlingen moeite hebben met associatief en procesmatig werken. Leerlingen kozen vaak voor de hand liggende oplossingen en hun eerste idee wilden zij graag uitwerken tot een eindwerk waardoor er geen proces ontstond. Ik heb op verschillende manieren onderzocht hoe je leerlingen van 4 havo en 4 vwo kunt stimuleren om associatief en procesmatig te werken.

Ik heb een theoretisch onderzoek gedaan waarbij ik verschillende bronnen heb geraadpleegd. Uit een onderzoek van John Harland naar de gewenste en bereikte leereffecten van kunsteducatie blijkt dat er een onevenwichtigheid in het curriculum bij beeldende vorming in het Verenigd Koninkrijk is: er wordt veel minder aandacht besteed aan het creëren van betekenis en creativiteit dan aan technieken en vaardigheden. Dit merkte ik ook tijdens mijn stage en daarom bleven de werken van leerlingen vrij oppervlakkig. John Harland noemt in zijn onderzoek twee dingen die kunnen bijdragen aan leerlingen meer te laten onderzoeken en hun leren betekenis uit te drukken in een werk. De eerste mogelijkheid is het leren van andere kunstdisciplines om meer uit leerlingen te halen bij ieder vak afzonderlijk. Een tweede mogelijkheid is het kijken naar de interesse van de leerlingen zelf. Buiten school houden jongeren zich vaak bezig met cultuur, wel vaak met andere stijlen dan die op school worden behandeld. Als docent kun je profiteren van deze interesses, hierdoor zullen leerlingen meer de diepte ingaan in hun proces.

Marie-Thérèse van de Kamp heeft onderzoek gedaan naar tien criteria voor een goede productieve opdracht. Ook hierin staat beschreven dat het belangrijk is om opdrachten te creëren waarbij leerlingen zich betrokken voelen. De opdrachten moeten ook betekenisvol zijn, leerlingen moeten een inhoud in het werk stoppen, kunnen zeggen waar het werk over gaat en waarom zij hiervoor hebben gekozen. De opdrachten mogen niet uitsluitend technische uitgangspunten hebben. Op deze manier geef je leerlingen de mogelijkheid om eigen talenten te ontwikkelen en zich van elkaar te onderscheiden. Met mijn lessenserie wil ik leerlingen stimuleren om associatief en procesmatig te werken. Ik wil dat leerlingen een diepere betekenis in hun werk stoppen, het werk moet niet in één oogopslag duidelijk maken waar het werk over gaat. Om dit te bereiken zou het advies van Marie-Thérèse kunnen zijn om opdrachten te creëren die aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen. De leerlingen moeten hun mening, standpunt of inhoud in hun werk kunnen stoppen.

Folkert Haanstra heeft onderzoek gedaan naar de mogelijkheden en beperkingen van authentiek leren. Schoolkunst is kunst die vast zit aan schoolse voorwaarden. Dat komt omdat het onderwijs beperkingen heeft in tijd, faciliteiten, ook docenten hebben hun beperkingen, etc. Binnen die schoolse voorwaarde zou het ideaal van authentieke kunsteducatie meer kunnen en meer moeten worden benaderd volgens Folkert Haanstra. Authentieke kunsteducatie probeert de relatie met de leerling en zijn alledaagse kunstbeoefening en kunstbeleving te behouden maar wil ook toegang bieden tot de professionele kunst. Ook probeert de authentieke kunsteducatie de motivatie van de leerling vast te houden door aan te sluiten bij de leefwereld van de leerlingen en door het aanbieden van levensechte kwesties. Ik kan hieruit concluderen dat Folkert Haanstra opdrachten zou creëren waar leerlingen zich bij betrokken voelen om ze te leren associëren. Ook geeft hij het advies om in opdrachten problemen te behandelen die in werkelijkheid ook voorkomen en waar professionele kunstenaars ook mee te maken hebben.

Ik heb een aantal leerlingen van mijn stageschool geobserveerd tijdens de start van hun proces. De uitwerkingen van deze observaties vind je in de bijlage op de volgende pagina’s. Uit deze observaties kan ik concluderen dat het belangrijk is om leerlingen de tijd te geven om zich te ontwikkelen. De eerste schetsen van de leerlingen waren vrij oppervlakkig maar in de weken die volgden gingen leerlingen zich ontwikkelen en zichzelf verbeteren. Dat kwam onder andere doordat leerlingen inspiratie kregen van voorbeelden uit vorige jaren en doordat ze leerden reflecteren op hun eigen werk en op het werk van klasgenoten. Ik heb geleerd dat je de ideeontwikkeling van leerlingen kunt stimuleren door hun veel te laten zien en veel te laten doen.

Naar aanleiding van de onderzoeken die ik heb gedaan heb ik een lessenserie geschreven. In deze lessenserie gaan leerlingen associëren naar aanleiding van een herinnering. Iedereen heeft wel ergens herinneringen aan: aan een persoon, een gebeurtenis, een bepaalde periode in je leven, etc. Meer dan genoeg om inspiratie uit te putten. Om leerlingen te stimuleren om associatief te gaan werken bij deze opdracht heb ik een aantal klassikale introductieopdrachten bedacht. Leerlingen gaan associëren met woorden, schilderen of tekenen naar aanleiding van muziek en associëren naar aanleiding van voorwerpen door blind te tekenen. Dit zijn allerlei opdrachten om leerlingen uit hun vertrouwde denkpatroon te laten stappen. Ik was benieuwd of deze opdrachten aan zouden slaan bij leerlingen en heb daarom een pilot gedaan met enkele jongeren van zestien en zeventien jaar. De opdrachten sloegen vrij goed aan. Bij de opdracht met het associëren met woorden merkte ik dat leerlingen gemakkelijker associeerde naar aanleiding van een thema dat dicht bij hun staat, herinneringen, dan vanuit een alledaags voorwerp. Bij het associëren met muziek merkte ik dat de leerlingen steeds een stapje verder gingen. Bij het eerste fragment werd er vrij figuratief gewerkt, bij het tweede en derde fragment telkens op eenzelfde manier, met dezelfde vormen en kleuren en in het vierde en vijfde fragment kwamen er verschillende vormen en kleuren samen in een werk. Ik merkte dat wanneer je tijd voor de opdrachten neemt je steeds een stapje verder kunt komen met de leerlingen en daarom denk ik dat deze opdrachten heel leerzaam en interessant kunnen zijn om uit te voeren in een klas.

Het thema van mijn lessenserie, herinneringen, is heel persoonlijk en staat dicht bij de leerlingen, dit sluit zowel bij de theorie van Marie-Thérèse van de Kamp als bij de theorie van Folkert Haanstra aan. Ik hoop dat leerlingen gemakkelijk kunnen gaan associëren vanuit dit thema wat dicht bij hun staat en dat de introductieopdrachten hun daarbij helpen. Ik wil leerlingen stimuleren om procesmatig te werken door hun een beeldend onderzoek te laten doen met veel kleine onderzoeken en schetsen. Daarnaast vind ik het belangrijk dat leerlingen zelf keuzes kunnen en leren maken in een proces en leren reflecteren op hun proces, een criterium dat ook aansluit bij de theorie van Marie-Thérèse van de Kamp. In mijn lessenserie heb ik deze elementen samengevoegd en ik hoop dat ik deze in de toekomst uit kan gaan voeren in mijn functie als docent beeldende vormgeving op het voortgezet onderwijs.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: